Uitspraak Gerechtshof Arnhem, 28 juni 2011
Wat is de situatie die beoordeeld is door het Gerechtshof te Arnhem in de uitspraak van 28 juni 2011? De zaak gaat over een echtpaar waarvan de man, die ondernemer is, failliet is gegaan. Het huis staat niet op naam van de man maar op naam van de vrouw. De vrouw is buiten gemeenschap gehuwd met de man. Partijen hebben dus voor het huwelijk huwelijksvoorwaarden laten maken door de notaris.
De man had een eigen onderneming (eenmanszaak). De vrouw heeft in het begin van het huwelijk meegeholpen in de onderneming van de man.
Tijdens het huwelijk hebben partijen een huis gekocht. Het huis is op naam van de vrouw gezet (waarschijnlijk om ervoor te zorgen dat het huis niet in gevaar zou komen, wanneer de man onverhoopt failliet zou gaan).
De bank heeft tijdens de aankoop van het huis bedongen dat beide echtgenoten hoofdelijk schuldenaar zijn van de hypothecaire geldlening.
Tijdens het huwelijk zijn ook inkomsten van de man gebruikt om de hypotheeklasten te voldoen.
De man gaat op een bepaald moment failliet.
Uit de wet volgt dat het faillissement van de man niet automatisch betekent dat de vrouw ook failliet gaat.
In de situatie dat er een wettelijke gemeenschap van goederen is (de echtgenoten zijn voor het huwelijk niet naar de notaris gegaan om huwelijksvoorwaarden op te laten maken) betekent het faillissement van één van de echtgenoten automatisch ook dat de gemeenschap van goederen failliet gaat. Dat is dus nadelig voor de andere echtgenoot. Zij wordt als het ware meegezogen in het faillissement van de man (uitgaande van de meest voorkomende situatie dat de man ondernemer is). Daarom laten veel echtparen waarvan één van beide partijen ondernemer is, huwelijksvoorwaarden maken, alvorens met elkaar in het huwelijk te treden.
Op grond van art. 61 van de Faillissementswet mag de echtgenoot die niet failliet is alle goederen die haar toebehoren en die niet tot de gemeenschap van goederen horen, uit de faillissementboedel halen. Dat betekent dat de curator niet aan die goederen mag komen.
Artikel 61 lid 4 van de Faillissementswet luidt als volgt: “De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde buiten de gemeenschap toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot onderscheidenlijk geregistreerde partner teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van de rechter, zij bewezen”.
In de uitspraak van 28 juni 2011 zegt het Hof over de hiervoor geschetste situatie: “Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat bewezen dient te worden dat de goederen (in dit geval het huis) door de echtgenote [..] verkregen zijn èn geheel met eigen middelen zijn gefinancierd, willen zij door de echtgenote [uit de faillissementboedel] kunnen worden teruggenomen”. Dit betekent dat niet alleen het huis op naam van de vrouw moet staan (om niet te worden meegezogen in het faillissement van de vrouw) maar dat bovendien aangetoond moet worden dat de financieringslasten tijdens het huwelijk uitsluitend door de vrouw zijn gedragen.
Conclusie
Om zeker te stellen dat de echtelijke woning niet in gevaar komt in geval van faillissement van de echtgenoot die ondernemer is, moet aan drie vereisten worden voldaan.
Het is noodzakelijk dat partijen,
- buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd,
- dat het huis op naam van de echtgenoot staat die niet failliet is,
- dat aangetoond kan worden dat de financieringslasten van het huis niet mede betaald zijn door de andere echtgenoot (die failliet is gegaan).
In de praktijk is meestal aan één of meer van de hiervoor genoemde vereisten niet voldaan, bijvoorbeeld doordat de hypotheeklasten zijn voldaan vanaf een gezamenlijke rekening of een verbouwing (mede) is bekostigd door de gefailleerde echtgenoot, met als triest gevolg dat het faillissement van een van beide echtgenoten betekent dat de curator aanspraak kan maken op de helft van de eventuele overwaarde van echtelijke woning, gelijk aan de situatie indien de echtelijke woning in de gemeenschappelijke boedel valt.
Vanzelfsprekend dient de curator bij een eventuele verkoop rekening te houden met de rechten van de hypotheekhouder die ook in die situatie zich met voorrang – ook boven de curator – kan verhalen op de opbrengst van de echtelijke woning.
Slechts in uitzonderingssituaties zal de curator – in overleg met de hypotheekhouder – kunnen besluiten om de echtelijke woning die in de boedel valt niet (gedwongen) te verkopen. Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien de lopende hypotheeklasten door gefailleerden correct worden voldaan en met zekerheid kan worden gesteld dat bij verkoop lopende het faillissement geen overwaarde zal resteren. In dat geval is voor de crediteuren geen positief geldelijk belang aanwezig bij verkoop van de woning.
mr. B.H.M. Harbers, advocaat insolventie- en ondernemingsrecht
mr. E.J. Moll, advocaat familierecht